Miljoenennota 2019: impact op zorg en sociale zekerheid

25 september 2018,  

BS&F Nieuwsbrief
September 2018 - 16e jaargang - nummer 1

Klik hier voor de printversie

Miljoenennota 2019: impact op zorg en sociale zekerheid

Afgelopen dinsdag 18 september is de Rijksbegroting voor het jaar 2019 gepresenteerd. In deze nieuwsbrief geven wij een overzicht van de belangrijkste elementen voor het gemeentelijk sociaal domein.

 

Kabinet zet in op meer gezondheid en minder schulden

Het kabinet Rutte III constateert in zijn eerste begroting dat verdere omvangrijke bezuinigingen en hervormingen op het gebied van zorg en sociale zekerheid niet nodig zijn. De nadruk ligt op het nader invullen van de plannen uit het Regeerakkoord (nieuwsitem). Hierdoor ontstaat ruimte om al bestaande beleidsdoelstellingen beter te kunnen realiseren, zoals aandacht voor het leveren van de juiste zorg op de juiste plek, de vormgeving van de gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) en het Nationaal preventieakkoord (NPA) en het wegnemen van belemmeringen die mensen nog kunnen ervaren bij zorggebruik of om aan het werk te gaan. Ook wordt ingezet op een brede schuldenaanpak om schulden zoveel mogelijk te voorkomen of op te lossen. De betaalbaarheid van de zorg - nu en in de toekomst - blijft eveneens een belangrijk thema.

 

1. Zorg

Het kabinet heeft voor de periode tot en met 2022 hoofdlijnenakkoorden gesloten met verschillende zorgsectoren, waardoor bijvoorbeeld de uitgaven in de medisch-specialistische zorg in 2019 met maximaal 0,8% mogen groeien. Verder heeft het kabinet preventieakkoorden gesloten met een groot aantal partijen om gezondheidsbevordering een impuls te geven. Voor de positie van ouderen is ook aandacht, met name als het gaat om geschikt wonen en het bestrijden van eenzaamheid. Bij dit alles moet een integrale aanpak van werk, zorg en ondersteuning voor alle doelgroepen een bijdrage leveren aan kwaliteit, beschikbaarheid en betaalbaarheid.

 

1.1 Zorgmaatregelen algemeen

Op het beleidsterrein van VWS worden onder meer de volgende maatregelen genomen:

  • Zorgverzekeraars worden (opnieuw) opgeroepen om het polisaanbod transparanter te maken. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gaat meer controleren op de gestelde transparantie-eisen. Verwacht wordt dat deze transparantie zorgverzekeraars zal stimuleren om zich meer van elkaar te onderscheiden. Bij een collectiviteitskorting dient direct duidelijk te zijn over welke polis het gaat, zodat mensen makkelijker kunnen vergelijken en een echte keuze kunnen maken.
  • Met ingang van 2020 wordt de maximale korting op collectiviteiten verlaagd naar 5%. Over de relatie tot (zorg)inhoudelijke afspraken als rechtvaardiging voor korting op collectiviteiten in het algemeen en de gemeentepolis in het bijzonder hebben wij dit nieuwsitem geschreven. Onder meer noemen we daar de drie oorspronkelijke rechtvaardigingen voor korting en dat de gemeentepolis hierbinnen al jaren een voorbeeldfunctie vervult. In 2020 inventariseert VWS in hoeverre afdoende legitimatie voor korting aanwezig is en of nadere maatregelen nodig zijn.
  • Per 2019 wordt het pakket van de basisverzekering op een aantal punten gewijzigd:
    • Doordat verduidelijkt is welke zorg valt onder de gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) kan deze per 2019 vergoed worden (zie hierover nader paragraaf 1.2).
    • Oefentherapie onder toezicht bij COPD wordt per 2019 vanaf de eerste behandeling vergoed voor verzekerden van 18 jaar of ouder (in totaal max. 70 behandelingen).
    • Aan de huidige aanspraak voor ziekenvervoer wordt het vervoer ten behoeve van consulten, (na)controles en (bloed)onderzoek toegevoegd, indien deze als onderdeel van de primaire behandeling noodzakelijk zijn. De kosten van deze uitbreiding bedragen naar schatting €8,2 miljoen in 2019. Deze extra kosten nemen vanaf 2020 met €5,9 miljoen toe vanwege een nieuwe groep gebruikers (patiënten met een chronische, progressieve, degeneratieve aandoening, niet-aangeboren hersenletsel of verstandelijke beperking) die afkomstig is vanuit de extramurale behandeling (Wet langdurige zorg, Wlz). Deze regeling wordt per 2020 overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet (Zvw).
    • De bestaande vergoeding voor vitaminen, mineralen en paracetamol verdwijnt uit het basispakket, voor zover een gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig alternatief bestaat in de vrije verkoop (besparing van €40 miljoen).
    • Over de prijs van nieuwe, dure medicijnen gaat vaker onderhandeld worden. Het gaat hierbij om geneesmiddelen die jaarlijks meer dan €50.000 per patiënt of voor alle patiënten samen meer dan €40 miljoen kosten. Een voorbeeld hiervan is de opname van Spinraza in het basispakket (voor jonge kinderen die lijden aan SMA). Verder dringt de regering er bij zorgverzekeraars op aan transparanter te zijn over de opbouw van medicijnprijzen.
  • De raming van de premie basisverzekering bedraagt voor 2019 €1.432 (€119,33 per maand), een stijging van €124 (€10,33 per maand).[1] VWS baseert deze verwachting op een aantal factoren, waaronder groeiende zorguitgaven, het wegvallen van de (premiedempende) rijksbijdrage Wlz en een veronderstelde lagere inzet van reserves door zorgverzekeraars bij het vaststellen van hun premies voor 2019 (€450 miljoen t.o.v. €650 miljoen vorig jaar).
  • De hoogte van het verplicht eigen risico in de Zvw blijft ongewijzigd op €385 per jaar.
  • De zorgtoeslag bestaat uit het verschil tussen de standaardpremie (= gemiddelde basispremie + gemiddeld geconsumeerd verplicht eigen risico) minus de normpremie (= een bedrag dat een huishouden geacht wordt te betalen aan basispremie). De raming voor de standaardpremie bedraagt voor 2019 €1.656 (€1.432 gemiddelde premie + €224 gemiddeld eigen risico). De basispremie voor een alleenstaande met een minimuminkomen volgend jaar stijgt volgend jaar met €124, wat door genoemd mechanisme voor €94 wordt opgevangen door een hogere zorgtoeslag. Voor meerpersoonshuishoudens met een minimuminkomen wordt de premiestijging van €248 opgevangen door een €281 hogere zorgtoeslag. De genoemde bedragen zijn ramingen, omdat de daadwerkelijke basispremies nog niet allemaal zijn vastgesteld, in onze eindejaarsnieuwsbrief (december) noemen wij de definitieve bedragen voor 2019.

 

1.2 Preventie en gezondheidsbevordering

Het kabinet neemt verschillende maatregelen die zijn gericht op het voorkomen van ziekte en het bevorderen van gezondheid:

  • Sinds 2009 maakt de gecombineerde leefstijl interventie (GLI) deel uit van het verzekerde pakket van de basisverzekering. Onlangs is vanuit de NZa verduidelijkt welke zorg onderdeel uitmaakt van de GLI. Het gaat daarbij om interventies die zijn gericht op het verminderen van overgewicht door onder begeleiding minder te eten en meer te bewegen, eventueel aangevuld met psychologische begeleiding bij gedragsverandering. Hierdoor is het met ingang van 2019 mogelijk geworden om personen met een BMI van 25 of hoger ook daadwerkelijk een GLI te vergoeden vanuit het basispakket. Voor de GLI is een budget gereserveerd van €9 miljoen structureel vanaf 2020 en in verband met de opstart €6,5 miljoen in het jaar 2019.
  • In het najaar van 2018 wordt een Nationaal Preventieakkoord (NPA) gesloten met patiëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportverenigingen en sportbonden, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Het akkoord richt zich vooral op stoppen met roken, overgewicht en obesitas en problematisch alcoholgebruik. Onder andere door een verantwoord schenkbeleid in de sportkantine en te zorgen voor meer aanbod van groente en fruit op scholen en bedrijven moet het makkelijker worden om gezond te leven.
  • Met de sport, gemeenten, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties is eind juni 2018 het Nationaal Sportakkoord gesloten. In elke gemeente komen beweegprogramma’s voor kinderen onder de zes jaar, zodat de motorische vaardigheden van kinderen verbeteren. En door de sporthulpmiddelenregeling - deels gefinancierd vanuit de Wmo 2015 - uit te breiden, kunnen nog meer mensen met een beperking deelnemen aan sport.

 

1.3 Het gemeentelijk zorgdomein

Na jaren van decentralisatie en transformatie van zorgtaken zijn nieuwe hervormingen niet nodig volgens het kabinet. De opgave voor de komende periode is dat mensen gaan merken dat de zorg beter en persoonlijker wordt. Dat betekent dat de juiste zorg op de juiste plek beschikbaar dient te zijn. Dicht bij huis als het kan, ver weg als het moet. Om er voor te zorgen dat voldoende zorg beschikbaar blijft, wordt ingezet op (de ontwikkeling van) e-health oplossingen. Het financieel bereikbaar houden van zorg en ondersteuning lijkt de belangrijkste opgave, onder meer door stapeling van eigen betalingen te verminderen:

  • Met ingang van 2019 vervangt het abonnementstarief de eigen bijdrage Wmo. Een vast bedrag van €17,50 per vier weken voor mensen die gebruik maken van zorg en ondersteuning van de gemeente. Deze maatregel is gunstig voor midden- en hogere inkomens (40% van de Wmo-populatie) omdat de inkomensafhankelijke bijdrage vervalt. Voor minima heeft de maatregel geen effect. De lagere opbrengsten worden deels gecompenseerd via het gemeentefonds, maar per saldo betekent het voor gemeenten een teruggang in budget. Voor de invoering van het abonnementstarief is een wetswijziging vereist, waardoor de maatregel pas in 2020 volledig ingevoerd kan worden. In 2019 wordt daarom gewerkt met een tussenvorm richting de invoering van het abonnementstarief, waarbij cliënten die gebruik maken van (maatwerk)voorzieningen en persoonsgebonden budgetten (niet zijnde beschermd wonen en opvang) een vaste maximale bijdrage van €17,50 per bijdrageperiode gaan betalen.
  • De vermogensinkomensbijtelling (VIB) die geldt bij de bepaling van de eigen bijdrage Wlz wordt verlaagd van 8% naar 4%. Omdat ook de doelgroep Beschermd Wonen (Wmo) deze eigen bijdrage betaalt profiteert ook deze hiervan. Tegelijk is het een maatregel die voor minima geen effect heeft, aangezien zij niet over in aanmerking te nemen vermogen beschikken.
  • De eigen betaling voor (het niet vergoede deel van) extramurale geneesmiddelen wordt gemaximeerd op €250 per verzekerde per jaar. Dit leidt tot €15 miljoen extra uitgaven Zvw.
  • Een actieagenda persoonsgebonden budget (PGB) moet gaan zorgen voor een toekomstbestendig PGB 2.0 dat administratief eenvoudiger is en het voor budgethouders makkelijker maakt hun budget te beheren.
  • Bij de sluitende aanpak voor personen met verward gedrag spelen gemeenten een belangrijke rol. Er komt een samenhangend pakket aan maatregelen waarvoor in 2019 ruim €36 miljoen, in 2020 €32 miljoen en vanaf 2021 jaarlijks €26 miljoen beschikbaar is gesteld.
  • Eenzaamheid van ouderen wordt tegengegaan door te bevorderen dat zij geschikt wonen. Daarom komen er meer (geclusterde) woonzorgvormen voor ouderen. Er is vanaf 2019 circa €30 miljoen beschikbaar om vernieuwende vormen van huisvesting in gemeenten te stimuleren. Het programma ‘Eén tegen eenzaamheid’ moet eenzaamheid doorbreken. De rol van gemeenten en zorgverleners is hierbij cruciaal.
  • Knelpunten bij het aanbesteden van zorg en ondersteuning worden aangepakt. Hiervoor wordt in Europees verband aandacht gevraagd. Innovatieve vormen van inkoop, lokaal partnerschap en samenwerking op langere termijn worden gestimuleerd door het ontwikkelen van standaarden en handreikingen.
  • Door de verhoging van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9% worden genees- en hulpmiddelen duurder - dus ook Wmo-hulpmiddelen. Ook de daarmee samenhangende apparaatskosten stijgen.
  • Voor de gemeentelijke ondersteuning van chronisch zieken en gehandicapten is ook in 2019 €268 miljoen beschikbaar binnen het gemeentefonds, dat onder meer kan worden ingezet als premiebijdrage gemeentepolis. NB: uw regiomanager kan u helpen bij de berekening van het bedrag dat voor uw gemeente beschikbaar is.

 

2. Sociale zekerheid
Het kabinetsbeleid op het gebied van sociale zaken en werkgelegenheid kent twee inhoudelijke hoofdlijnen: het stimuleren van zekerheid en kansen in een nieuwe economie en het stimuleren dat mensen naar vermogen meedoen in de samenleving. Het doet dit onder meer met de Wet arbeidsmarkt in balans, door het voor werkgevers weer aantrekkelijk te maken om mensen in vaste dienst te nemen. Verder daalt in 2019 de werkloosheid tot 3,4% van de beroepsbevolking - het laagste niveau sinds 2001. Een pensioenakkoord - waardoor onder meer de doorsneesystematiek zou verdwijnen - laat nog op zich wachten.

 

2.1 Armoede en schulden

Eén op de tien huishoudens in Nederland heeft problematische schulden en één op de vijf loopt het risico om deze te ontwikkelen. Ook heeft één op de negen kinderen kans op armoede, wat hun ontwikkeling kan belemmeren. Armoede en schulden hangt vaak samen met gezondheidsproblemen, waardoor het tegengaan hiervan ook voordelen in het zorgdomein oplevert. Het kabinet neemt in dit verband de volgende maatregelen:

  • Het Samenwerkingsverband Brede Schuldenaanpak richt zich op het vaststellen van een samenhangend totaalpakket aan maatregelen om schuldenproblematiek op te lossen. De aanpak kent drie actielijnen: 1) preventie en vroegsignalering, 2) ontzorgen en ondersteunen en 3) zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. Het jaar 2019 komt in het teken te staan van de uitwerking en uitvoering van de verschillende maatregelen.
  • In de periode 2018-2020 is €80 miljoen beschikbaar om schulden te voorkomen en armoede tegen te gaan, in het bijzonder onder kinderen. Hiervan wordt €71 miljoen ingezet om een impuls te geven aan de gemeentelijke schuldhulpverlening en aan de versterking van het (kindgerichte) lokale armoedebeleid. De overige €9 miljoen wordt ingezet voor de landelijke ondersteuning van gemeenten.
  • Om betalingsproblemen zo vroeg mogelijk op het spoor te komen wordt in 2018 en 2019 een wijziging voorbereid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening om gegevensuitwisseling beter te faciliteren.
  • Het opslagpercentage binnen de bestuursrechtelijke wanbetalerspremie wordt per 1 januari 2019 verlaagd van 25% naar 20%. Omdat de basispremies 2019 nog niet bekend zijn kunnen wij nu nog niet aangeven hoe hoog de wanbetalerspremie 2019 zal zijn (zie daarvoor in december onze eindejaarsnieuwsbrief). Ook wordt met ingang van 1 augustus 2018 standaard de gehele eindafrekening vanuit het CAK kwijtgescholden voor iedereen die na afmelding nog onbetaalde bestuursrechtelijke premie heeft openstaan.
  • De complexiteit van de huidige samenleving, waaronder de uitkeringen- en toeslagensystematiek, raakt laaggeletterden extra hard. Mede gezien het hiermee gepaard gaande risico op schulden werken in het programma ‘Tel mee met Taal’ de ministeries van OCW, SZW en VWS samen om laaggeletterdheid te voorkomen en te verminderen. Verder wordt ingezet op basisvaardigheden zoals rekenen en omgaan met de computer.
  • Omdat schulden door stapeling van boetes voor te laat betalen, rente en bijkomende kosten zeer snel kunnen oplopen wordt ingezet op een zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. Hiertoe wordt het beslag- en executierecht herzien, de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet geïmplementeerd en het beslagregister verbreed. Tot slot wordt kritisch gekeken naar de rol van de rijksoverheid als schuldeiser en neemt het kabinet extra maatregelen om excessen in kredietverlening tegen te gaan.

 

2.2 Kindregelingen

In lijn met de ambitie van het kabinet om werken aantrekkelijk te maken voor ouders investeert het in onder meer de kinderopvangtoeslag:

  • Bijna alle ouders ontvangen vanaf 2019 een hogere kinderopvangtoeslag door een extra investering van €248 miljoen structureel. Het plan om de kinderopvangtoeslag via de kinderopvang te laten lopen - directe financiering - gaat niet door. Het kabinet zet in plaats daarvan in op het voorkomen van (zeer) hoge terugvorderingen van kinderopvangtoeslag.
  • Door de inkomensgrens waarboven het kindgebonden budget wordt afgebouwd te verhogen met €16.500 krijgen meer huishoudens met middeninkomens recht op een (hoger) kindgebonden budget. Hiervoor is vanaf 2020 bijna €500 miljoen beschikbaar.
  • De kinderbijslag wordt per 2019 verhoogd met €88,75 per jaar. Ook de extra tegemoetkoming AKW - voor alleenverdienende of alleenstaande ouders met een thuiswonend gehandicapt kind - wordt met dit bedrag verhoogd. Voor deze verhoging is €250 miljoen begroot.
  • Door de Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG) wordt het huidige kraamverlof - nu twee dagen met behoud van loon - uitgebreid tot geboorteverlof van een week. Per 1 juli 2020 kan dit worden aangevuld met nog vijf weken, tegen uitkering van 70% van het (maximum)dagloon door het UWV. Voor dit aanvullend geboorteverlof is jaarlijks structureel €166 miljoen beschikbaar.
  • De Wet arbeid en zorg wijzigt per 2019 waardoor ouders zes in plaats van vier weken adoptie- en pleegzorgverlof krijgen, onder verstrekking van een uitkering ter hoogte van het (maximum)dagloon.

 

2.3 Arbeidsmarkt

Zoals aangegeven ziet het kabinet (meer) werken en dit beter te laten lonen als de beste manier om problematische schulden te voorkomen of op te lossen. Eén van de aangekondigde maatregelen in dit kader was loondispensatie, maar tijdens de uitwerking daarvan in de Participatiewet is gebleken dat dit niet leidt tot een verbetering en versimpeling voor iedereen. Daarom gaat de invoering ervan niet door. Wel blijft de doelstelling om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te krijgen. Overige maatregelen met betrekking tot de arbeidsmarkt:

  • Met ingang van 2020 wordt de Wajong gewijzigd om deze te vereenvoudigen en drempels weg te nemen om aan het werk te gaan. Hiertoe wil het kabinet de verschillende inkomensregelingen binnen de Wajong harmoniseren tot een versie voor alle werkende Wajongers.
  • Ook moet het aantrekkelijker worden voor Wajongers om een studie te volgen, zonder het risico te lopen recht op Wajong te verliezen. Jonggehandicapten in de Wajong2010 die met een levenlanglerenkrediet een studie volgen blijven met ingang van 2019 in de werkregeling. Het volgen van een studie met een levenlanglerenkrediet vormt met ingang van 2019 geen uitsluitingsgrond meer voor de toegang tot de Wajong2015. Uit de begroting van SZW blijkt verder dat de helft van alle Wajongers met arbeidsvermogen werkt.
  • In het kader van het ‘Actieplan Perspectief voor vijftigplussers’ is voor de subsidieregelingen om ouderenwerkloosheid aan te pakken in 2019 €17,3 miljoen beschikbaar.
  • Een modaal inkomen bedraagt in 2019 €36.000 bruto, wat neerkomt op ongeveer 170% van het Wettelijk Minimumloon (WML). Het WML zelf stijgt in 2019 met 2,6%. Daarnaast wordt per 1 juli 2019 de laatste stap gezet in de verhoging van het minimumjeugdloon, waardoor werknemers vanaf hun 21e (i.p.v. 22e) recht krijgen op het volledige WML.
  • Bij de financiële drempels die mensen kunnen ervaren om aan het werk te gaan valt de doorgroeival op. Deze geeft weer hoeveel iemand die groeit van 100% WML (circa €21.000) naar 150% WML (circa €32.000) van dit extra inkomen kwijt is aan belastingen, minder toeslagen of kosten kinderopvang. Voor een alleenverdiener met kinderen is dit 88% en voor een alleenstaande 67%.
  • In 2019 wordt de AOW-leeftijd verhoogd met vier maanden naar 66 jaar en 4 maanden.

 

2.4 Inburgering

De WRR constateert in het rapport ‘De Nieuwe Verscheidenheid’ dat in Nederland mensen wonen uit 223 herkomstlanden, wat nagenoeg de hele wereld is. Deze groeiende diversiteit vraagt om een aanpak die mensen optimaal faciliteert om mee te doen in Nederland:

  • Om het ‘doenvermogen’ van iedere nieuwkomer te vergroten zullen gemeenten een maatwerk Plan Inburgering en Participatie (PIP) opstellen, om de taal te leren in combinatie met (vrijwilligers)werk, studie of stage. Zowel voor de inburgeraar als de gemeente is het PIP niet vrijblijvend: zo gaan gemeenten aanvankelijk de vaste lasten van statushouders zoals huur, energiekosten en de verplichte verzekeringen vanuit de bijstand betalen. Het restant en de toeslagen ontvangt de statushouder. De duur van deze periode verschilt en wordt in het PIP vastgelegd.
  • Om de kans op een baan te vergroten worden hogere taaleisen gesteld. Hiervoor stelt het kabinet extra geld beschikbaar: €50 miljoen in 2019, oplopend naar €70 miljoen structureel.
  • Bij onvoldoende eigen inzet zullen inburgeraars - sneller en vaker dan nu - geconfronteerd worden met sancties, zoals een boete.

 

2.5 Fiscale maatregelen beïnvloeden koopkracht

Naast veel van de hiervoor al genoemde maatregelen heeft een aantal fiscale maatregelen effect op de koopkracht:

  • Vanuit de gedachte dat (meer) werken moet lonen wordt gewerkt aan een tweeschijvenstelsel in de inkomstenbelasting (per 2021). De eerste schijf zal lopen tot €68.507, waardoor 93% van alle inkomens hierbinnen zal vallen. Omdat er een groep is die binnen de eerste schijf niet alle premies voor volksverzekeringen is verschuldigd (zoals AOW’ers) bestaat de eerste schijf uit twee delen - en is voor die groep effectief sprake van een drieschijvenstelsel. Vooruitlopend hierop worden in 2019 de tarieven verlaagd in de huidige tweede, derde en vierde schijven, waardoor geld verdienen lager belast wordt.
  • Anderzijds wordt geld uitgeven juist hoger belast door een stijging van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9%. Minima geven naar verhouding een groot deel van hun inkomen uit aan producten waarop het verlaagde btw-tarief van toepassing is, zoals voedsel.
  • Lagere inkomens worden extra ondersteund door een verhoging van de algemene heffingskorting (met €184). Ook de maximale arbeidskorting wordt verhoogd (met €111).
  • Net als bij de hypotheekrenteaftrek wordt voorgesteld om per 2020 ook het tarief waartegen de persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen kan worden versneld af te bouwen. Dit betekent onder meer dat de aftrek voor specifieke zorgkosten beperkt gaat worden, wat effect heeft voor (chronisch zieken met) hogere inkomens.

 

3. Koopkracht 2019

Uit de koopkrachtramingen in de begroting 2019 komt een gunstig beeld naar voren. Zo gaat naar verwachting 93% van de uitkeringsgerechtigden, 97% van de gepensioneerden en 96% van alle huishoudens erop vooruit in koopkracht. De mediane koopkracht over alle huishoudens komt uit op +1,5%. Zie voor een gedetailleerde weergave van de koopkrachteffecten een ‘boxplot’ uit de begroting van SZW in bijlage 1. Hieronder vindt u de vaste tabel met voorbeeldhuishoudens die wij ieder jaar opnemen.

 

 

 

Groep

Raming 2018

Raming 2019

Alleenstaande met werk minimumloon

0,5%

1,1%

Alleenstaande ouder met werk minimumloon

0,6%

0,3%

Sociale minima: paar met kinderen

-0,3%

1,7%

Sociale minima: alleenstaande

-0,4%

0,9%

Sociale minima: alleenstaande ouder

-0,1%

0,9%

Sociale minima: alleenstaande AOW’er

-0,4%

1,0%

Sociale minima: paar met AOW

-0,9%

1,1%

Tabel 1. Koopkrachteffecten voor minima[2]

 

 

Bijlagen:

  1. Boxplot koopkrachtontwikkeling 2019
  2. Ontwikkeling uitgaven met effect Regeerakkoord

 

 

Bijlage 1. Boxplot koopkrachtontwikkeling 2019

Hieronder een zogenaamde ‘boxplot’ met daarin veel informatie over de geraamde koopkrachteffecten van het beleid. De vijf genoemde inkomensgroepen onder ‘Alle huishoudens’ zijn zo vastgesteld dat zij elk 20% van alle inkomens vertegenwoordigen. Zie onder de figuur de toelichting ‘Hoe af te lezen?’ voor een nadere uitleg van de weergegeven informatie.

Figuur 1. Bron: Ministerie van SZW.

 

 

 

2. Ontwikkeling uitgaven met effect Regeerakkoord (index, 2006 = 100)

Figuur 2. Bron: CPB, berekeningen Ministerie van Financiën.

 


[1] Inmiddels heeft zorgverzekeraar DSW de premie voor 2019 vastgesteld op €1.344 (€112 per maand), een verhoging van €54 (€4,50 per maand). Hierbij hanteert DSW een verplicht eigen risico van €375.

[2] Deze cijfers laten voor standaardhuishoudens de koopkrachtontwikkeling zien als gevolg van de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling en als gevolg van generieke maatregelen, zoals aanpassingen in belastingen, (ziektekosten)premies, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget. In het koopkrachtmodel wordt voor iedereen gerekend met gemiddelde zorgkosten onder het verplichte eigen risico.