Miljoenennota 2018: Impact op zorg en sociale zekerheid

22 september 2017,  

Afgelopen dinsdag 19 september is de rijksbegroting voor het jaar 2018 gepresenteerd. In deze nieuwsbrief geven wij een overzicht van de belangrijkste elementen voor het gemeentelijk sociaal domein.

Klik hier voor de printversie

Kabinet behoudt ingezette koers

Gezien de demissionaire status van het kabinet zijn geen grote koerswijzigingen ingezet: deze worden aan een volgend kabinet voorbehouden wat in een relatief beleidsarme begroting heeft geresulteerd. Mogelijk leiden de huidige onderhandelingen binnenkort tot een nieuw regeerakkoord. Wanneer dit leidt tot relevante aanvullende informatie sturen wij daarover een nieuwsbrief. Het eerste voorbeeld van een dergelijke maatregel kwam afgelopen week al in het nieuws: het verplicht eigen risico zou niet stijgen naar €400, maar gelijk blijven op €385. [1] Dit kan doorwerken op een aantal van de hieronder vermelde zaken (bijvoorbeeld de hoogte van de zorgtoeslag) maar het zal waarschijnlijk niet tot grote verschillen leiden. Overigens zou het niet verhogen van het eigen risico een opdrijvend premie-effect hebben van €10 per persoon per jaar ten opzichte van de ramingen.

Het kabinet investeert in de koopkracht van kwetsbare groepen en in de kwaliteit van verpleeghuizen. Daarnaast wordt onder meer aandacht besteed aan inzichten vanuit de gedragswetenschappen in relatie tot beleid.

1. Zorg

Voor 2018 heeft het kabinet onder meer zorgakkoorden gesloten met zorgverleners om de groei van de zorgkosten te beteugelen en gaat meer geld naar de kwaliteit van verpleeghuizen. De premie voor de basisverzekering stijgt, maar het eigen risico lijkt gelijk te blijven.

1.1 Zorgmaatregelen algemeen

Uit de begroting van VWS [2] wordt onder meer het volgende duidelijk:

  • De premie voor de basisverzekering stijgt naar de verwachting van VWS met €72 per jaar naar €1.362 (een stijging van €6 per maand naar €113,50). Voor deze premiestijging is een aantal redenen te noemen: 1) de groei van de zorguitgaven, die naar verwachting €2,4 miljard hoger uitvallen, 2) de afbouw van de rijksbijdrage Hlz, [3] 3) de relatief hoge premies 2017 [4], en 4) de verwachte lagere inzet van reserves door zorgverzekeraars waardoor de premies extra stijgen, VWS gaat uit van een inzet van €0,5 miljard, waar vorig jaar nog €1,5 miljard werd ingezet door verzekeraars.
  • Het verplicht eigen risico zou stijgen naar €400, maar het lijkt gehandhaafd te worden op €385 (zie inleiding).
  • Het verzekerde pakket voor 2018 wordt als volgt aangepast:
    • Fysiotherapie bij heup- en knieartrose: vanaf 2018 vergoeding vanaf de eerste behandeling van maximaal 12 behandelingen over 12 maanden;
    • Nieuwe afbakening verzorging bij kinderen: hierdoor valt voortaan alle verzorging die samenhangt met de geneeskundige zorg onder de Zvw, verzorging die verband houdt met ADL blijft onder de Jeugdwet vallen;
    • Uitbreiding zittend ziekenvervoer: de vergoeding voor zittend ziekenvervoer wordt uitgebreid met oncologiepatiënten die immuuntherapie ondergaan.
    • Een besluit over de plaats van vitaminen, mineralen en paracetamol in het pakket en het eventueel afschaffen van de eigen bijdrage poliklinische bevalling zonder indicatie worden aan een volgend kabinet overgelaten.
  • De zorgtoeslag wordt bepaald als de standaardpremie (gemiddelde nominale premie + gemiddeld geconsumeerd verplicht eigen risico) min een bedrag dat een huishouden zelf moet betalen aan zorgpremie. De raming voor deze standaardpremie bedraagt in 2018 €1.604 (€1.362 gemiddelde premie + €242 gemiddeld eigen risico). Dit mechanisme, inclusief een extra verhoging op basis van koopkrachtmaatregelen, leidt ertoe dat de stijgingen van premie en eigen risico meer dan volledig worden gecompenseerd door de stijging van de zorgtoeslag. Voor een alleenstaande minima stijgen premie en eigen risico samen met €74, terwijl de zorgtoeslag stijgt met €132 (€196 voor een meerpersoonshuishouden). Vanaf een inkomen van €28.650 en €36.850 komen respectievelijk alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens niet meer in aanmerking voor zorgtoeslag. Met de zorgtoeslag is in 2018 €5,2 miljard gemoeid, €635 miljoen meer dan in 2017.
  • De financiering van de basisverzekering werkt volgens een complex systeem van risicoverevening, op basis waarvan het voor verzekeraars niet zou moeten uitmaken dat ze iedereen ongeacht hun gezondheid moeten accepteren en dat ze iedereen dezelfde premie moeten vragen. In 2018 worden voor het derde jaar op rij forse aanpassingen in de risicoverevening doorgevoerd om chronisch zieken aantrekkelijker te maken voor verzekeraars. Zie hierover ook ons nieuwsitem. Daarnaast wordt onderzoek gedaan om de risicoverevening de komende jaren verder te verbeteren.
  • Het programma voor zorg aan onverzekerde personen met verward gedrag wordt ook in 2018 voortgezet. Zorgaanbieders kunnen zorgkosten declareren wanneer zij in de eerste nood voorzien van deze groep. Ook het aanjaagteam verwarde personen zet de activiteiten voort. Daarnaast wordt onder andere gewerkt aan een regionale sluitende aanpak en is voorzien in budget voor ambulancevervoer van deze groep. Zie ook ons nieuwsitem over dit onderwerp.

1.2 Maatregelen zorg met raakvlak gemeentelijk domein
Na een jarenlange focus op ‘zo thuis mogelijk’ (Wmo) wordt het komende jaar fors extra geïnvesteerd in het alternatief: de verpleeghuizen, waardoor meer handen aan het bed gerealiseerd worden. In aanvulling op de bestaande €100 miljoen structureel wordt met ingang van 2018 nog eens €335 miljoen vrijgemaakt om het kwaliteitskader verpleeghuizen verder te implementeren. Verder hebben de volgende zorgmaatregelen raakvlak met het gemeentelijk domein:

  • Eenverdienerhuishoudens waarin een van de partners chronisch ziek is worden met ingang van 2017 financieel tegemoetgekomen. Hiervoor is een landelijke aanpassing aangebracht in de maximale eigen bijdrage voor ondersteuning op basis van de Wmo. Gemeenten hebben daardoor minder inkomsten, maar krijgen hiervoor compensatie. Zie ook ons nieuwsitem hierover.
  • de bestuursrechtelijke premie voor wanbetalers bedraagt 125% van de gemiddelde nominale premie. Het definitieve bedrag voor komend jaar wordt bekend gemaakt zodra de premies 2018 zijn vastgesteld, maar op basis van de premieraming van VWS zou dit een bestuursrechtelijke van €141,88 opleveren in 2018 (nu €134,38).
  • De middelen voor beschermd wonen worden over alle gemeenten verdeeld middels een objectief verdeelmodel (in plaats van via de centrumgemeenten).
  • Binnenkort gaat een brief naar de Tweede Kamer over de vereenvoudiging van de huidige fiscale regeling voor chronisch zieken en gehandicapten. De regeling wordt als ongericht en ondoelmatig aangemerkt. Ook brengt de regeling enerzijds veel handmatige controles met zich mee, terwijl deze anderzijds wel massaal gebruikt wordt (door 1 miljoen huishoudens). Daarom is de regeling op termijn niet houdbaar en worden alternatieven onderzocht. Deze verkenning tegemoetkoming zorgkosten wordt op zijn vroegst najaar 2017 afgerond.
  • Als gevolg van het vervallen van de ouderentoeslag stijgt bij een beperkte groep ouderen het verzamelinkomen waarover de eigen bijdrage Wmo wordt berekend. Dit kan leiden tot een onbedoelde hogere eigen bijdrage Wmo. Om dit te voorkomen worden de parameters voor deze doelgroep aangepast.
  • Zorgverzekeraars richten in overleg met zorgaanbieders regionale loketten in, die huisartsen en ziekenhuizen snel helpen bij het vinden van een juiste plek voor patiënten. Dit moet leiden tot minder onnodige opnames van bijvoorbeeld kwetsbare ouderen in ziekenhuizen en dat mensen na een ziekenhuisverblijf de beste zorg krijgen. Ook worden meer eerstelijnsbedden gecreëerd, voor zorg aan mensen die door een ziekte even niet meer thuis kunnen wonen, al dan niet na een ziekenhuisverblijf.
  • Binnen het vierjarige programma Sociaal Domein wordt vanaf 2018 het partnerschap tussen Rijk en gemeenten rondom de transformatie concreet handen en voeten gegeven. Dit moet uiteindelijk leiden tot een voor de cliënt merkbaar betere uitvoeringspraktijk. Thema’s waar in 2018 op wordt ingezet zijn onder andere ‘inzet op mensen met een licht verstandelijke beperking’, ‘samenwerking tussen rijk, gemeenten en verzekeraars’ en ‘versterken van de sociale basis in wijken’.
  • Twee gemeentelijke Wmo-taken worden vanaf 2018 vanuit het Ministerie van VWS gefinancierd. Het gaat om de anonieme hulplijn (luisterend oor) en de doventolkvoorziening. Deze laatste voorziening werd gefinancierd vanuit de VNG door middel van een uitname uit het gemeentefonds. De overname van de uitvoering van deze taken door VWS betekent dat gemeenten geen afzonderlijke overeenkomsten meer hoeven te sluiten. Het gaat gepaard met een uitname uit de Integratie-Uitkering Sociaal Domein.
  • Het Ministerie van VWS wil de periode tussen het gebruik van Wmo- en Wlz-zorg en de ontvangst van de eigen bijdrage factuur verkorten. Zodoende wordt de zogenaamde stapelfactuur voorkomen. De aanlevertermijn van noodzakelijke gegevens wordt teruggebracht naar uiterlijk 28 dagen. In 2018 moeten gemeenten en zorgaanbieders zich hierop voorbereiden. De maatregel treedt naar verwachting op 1 januari 2019 inwerking.
  • Voor de gemeentelijke ondersteuning van chronisch zieken en gehandicapten is ook in 2018 €268 miljoen beschikbaar binnen het gemeentefonds. NB: uw regiomanager kan u helpen bij de berekening van het bedrag dat voor uw gemeente beschikbaar is.

1.3 Voortdurende inzet op preventie
Steeds meer mensen zien het belang van gezond opgroeien en een gezonde leefstijl om latere (chronische) ziekte te voorkomen en om langer van die goede gezondheid te kunnen genieten. Toch is nog veel verbetering mogelijk. Daarom wordt ook in 2018 verder ingezet op preventie en gezondheidsbevordering. Ook gemeenten hebben hierbij een rol:

  • Het Nationaal Programma Preventie (NPP) wordt tot 2021 voortgezet. Via het programmabureau Alles is gezondheid… worden maatschappelijke initiatieven gestimuleerd die bijdragen aan een gezonder Nederland. De jeugd is prioriteit binnen het NPP en er zijn nu 120 JOGG-gemeenten, ruim 1.200 Gezonde Scholen en 600 Gezonde Schoolkantines. Verder moet in 2020 in ten minste 75 gemeenten een daling van overgewicht gerealiseerd zijn. Daarnaast wordt de gezonde keuze de makkelijke keuze gemaakt, bijvoorbeeld door suiker, zout en ongezonde vetten in levensmiddelen omlaag te brengen. Het programma Gezond in… wordt voortgezet in de periode 2018 tot en met 2021 (€20 miljoen). Daarnaast worden preventiecoalities opgezet om de samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars te faciliteren. Dit gebeurt door middel van bijdragen aan de kosten van de procescoördinatie voor effectieve preventieactiviteiten voor risicogroepen met als doel de gezondheid van deze groep te verbeteren. Ook wordt in het kader van het programma Sport en Bewegen in de buurt de Sportimpuls gefinancierd, met onder meer speciale aandacht voor kinderen met overgewicht en kinderen uit gezinnen met een laag inkomen. Daarnaast worden de buurtsportcoaches en buurtcultuurcoaches op basis van cofinanciering geïmplementeerd en worden middelen ingezet voor de Rijksimpuls +25.000 kinderen, waardoor 25.000 kinderen een lidmaatschap voor sport of dans kunnen krijgen ondanks hun sociaaleconomische situatie.

2. Sociale zekerheid
Op het gebied van de sociale zekerheid wordt onder meer geïnvesteerd in de koopkracht van uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Verder wordt de administratieve last en regeldruk in het Sociaal Domein teruggedrongen. Hiertoe wordt een wetsvoorstel voorbereid om informatiestandaarden te verplichten. Het streven is om dit traject in 2018 af te ronden. Naast het wetgevingstraject wordt door gemeenten en aanbieders gewerkt aan het slimmer inrichten van werkprocessen en verantwoordingsstructuren.

2.1 Kabinet investeert in koopkracht kwetsbare groepen
Zonder nadere ingrepen was de koopkracht van uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden er in 2018 op achteruit gegaan. Daarom investeert het kabinet €425 miljoen in een verbetering van de koopkracht, waarvan €366 miljoen als compensatie voor de hogere zorgpremies. Het totale beeld is hierdoor een stijging van de koopkracht van uitkeringsgerechtigden met 0,3%, van gepensioneerden met 0,6% en van werkenden met 0,8%. Per saldo gaat ruim 80% van alle huishoudens er volgend jaar op vooruit in koopkracht:

  • Een aantal maatregelen heeft een bevordert de koopkracht, waaronder een vermindering van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand en de (extra) verhoging van zorgtoeslag en kindgebonden budget.
  • Een aantal maatregelen verlaagt de koopkracht, waaronder de verdere beperking van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting (ongunstig ingeval van een niet-verdienende partner), de verdere afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon van de bijstand, een verhoging van het afbouwpercentage in de zorgtoeslag (ongunstig voor huishoudens die niet de maximale zorgtoeslag ontvangen), verlaging van de inkomensondersteuning AOW met €10, verlaging van de alleenstaande ouderenkorting met €19 en tot slot de verlaging van de uitkering van Wajongers met arbeidsvermogen van 75% naar 70% van het bruto WML.
  • De AOW-kostendelersnorm wordt niet ingevoerd, vanwege onvoldoende duidelijkheid over mantelzorgrelaties onder AOW’ers.
  • Nieuw is het begrip ‘doorgroeival’, die in beeld brengt welk deel van het extra verdiende inkomen een huishouden inlevert aan bijvoorbeeld hogere belastingen of lagere toeslagen. Bij een stijging van het inkomen van 100% naar 150% WML (circa €20.000 naar €30.000) worden namelijk veel toeslagen en heffingskortingen afgebouwd, wat soms leidt tot nauwelijks extra besteedbaar inkomen. Voor 2018 betekent dit dat een alleenverdiener met kinderen 90% verliest van het extra verdiende, een alleenstaande 70% en een alleenstaande ouder die 4 dagen werkt 50%.
  • Door de koppeling met het (met 1,8%) gestegen WML stijgen de uitkeringen mee.
  • Het aantal bijstandsgerechtigden daalt in 2018 naar verwachting van 420.000 naar 410.000. Dit door een combinatie van een daling van de werkloosheid met nieuwe instroom vanuit de voormalige Wajong-doelgroep en asielzoekers.

2.2 Kinderen
Op het gebied van de kindregelingen valt vooral op dat de kinderopvangtoeslag afgeschaft wordt:

  • De kinderopvangtoeslag wordt op termijn vervangen door een systeem van directe financiering.
  • Binnen het kindgebonden budget wordt het tweede kindbedrag verhoogd met €71 per jaar om de inkomenspositie van gezinnen met lage en middeninkomens te ondersteunen.
  • Het wetsvoorstel voor de uitbreiding per 2019 van het kraamverlof van de partner met 3 dagen (naar 5) is controversieel verklaard en is dus aan een volgend kabinet.

2.3 Arbeidsmarkt
De arbeidsmarkt staat er beter voor dan in de afgelopen jaren. Het aantal banen en werkenden is zelfs groter dan ooit. Wel zijn er aandachtspunten. Nog niet iedereen die dat zou kunnen of willen is aan het werk en langdurig werklozen profiteren minder van het herstel. Ook blijft de stijging van de lonen vooralsnog achter bij de groei van de economie als geheel. Verder zijn er de volgende punten:

  • Vanaf 1 juli 2017 hebben werknemers vanaf 22 jaar recht op het volledige WML en voor werknemers tussen de 18-21 jaar gaat het omhoog. Vanaf 1 juli 2019 krijgen ook werknemers vanaf 21 jaar recht op volledig WML en gaat het minimumjeugdloon voor 18-, 19- en 20 jarigen verder omhoog.
  • Om bedrijven te stimuleren meer jongeren (18 t/m 21 jaar) aan te nemen bestaat met ingang van 2018 het jeugd-LIV (lage-inkomensvoordeel), een tegemoetkoming voor werkgevers ter compensatie voor het hogere minimumjeugdloon. Voor 22-jarigen kan een beroep op het (reguliere) LIV worden gedaan, dat in 2018 voor het eerst tot uitbetaling komt. Daarnaast kunnen bedrijven vanaf 2018 een tegemoetkoming krijgen voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar in de vorm van het minimumjeugdloonvoordeel.
  • Loonkostenvoordelen (LKV’s) komen vanaf 2018 in de plaats voor de premiekortingen voor jongere, oudere en arbeidsgehandicapte werknemers. Er zijn vier typen LKV’s: LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten, LKV Doelgroep Banenafspraak en LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten. De LKV’s zijn tegemoetkomingen met als doel om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt aan een baan in loondienst te helpen.
  • De middelen voor de no riskpolis worden vanaf 2021 structureel gemaakt om de aarzeling weg te nemen om duurzame dienstverbanden aan te gaan met de doelgroep banenafspraak en beschut werk. De doelstellingen om op termijn 125.000 extra werkplekken te creëren voor mensen met een arbeidsbeperking is met 18.957 banen in 2016 door de sector markt wel gehaald (doel was 14.000), maar is met 3.597 niet gehaald door de sector overheid (doel was 6.500 banen). Het kabinet gaat daarom over tot activering van de quotumregeling voor de sector overheid, waarbij de daadwerkelijke heffing één jaar wordt uitgesteld. Ook verschijnt medio 2018 een onderzoek naar de quotumregeling in de overheidssector. Verder zijn in alle 35 arbeidsmarktregio’s regionale werkbedrijven tot stand gekomen.
  • In heel 2016 heeft het UWV 388 positieve adviezen afgegeven voor beschutte werkplekken, wat betekent dat gemeenten die moeten realiseren. In de eerste helft van 2017 gaf het UWV 758 positieve adviezen af. Gemeenten krijgen in 2018 via een bonus extra middelen om het aantal beschutte werkplekken te vergroten. Hiervoor is in 2018 €16 miljoen beschikbaar.

2.4 Armoede en schulden
Begrippen als schaarste en een laag denk- en doenvermogen leiden tot een lage zelfredzaamheid bij bepaalde groepen. Daarom worden ook met betrekking tot armoede en schulden steeds vaker principes toegepast vanuit de gedragswetenschappen, die erop gericht zijn deze problematiek te voorkomen. In relatie tot armoede en schulden speelt het volgende:

  • Per 1 april 2017 is het Besluit breed moratorium in werking getreden, op basis waarvan gemeenten bij de rechtbank een tijdelijke stop op incassoactiviteiten kunnen aanvragen. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wordt uiterlijk op 1 januari 2019 geïmplementeerd, wat een jaar later dan gepland zou zijn. Verkend wordt ook hoe een vorm van beslagvrije voet bij bankbeslag kan worden gerespecteerd. Verder wordt de rijksincassovisie nader geconcretiseerd en wordt het beslagregister verbreed, waarop het eerste overheidsorgaan in 2019 wordt aangesloten. Tot slot is de subsidieregeling armoede en schulden uitgebreid met tijdvakken in 2018 en 2019.
  • Het terugdringen van armoede onder kinderen en het stimuleren van ‘meedoen’ heeft bijzondere aandacht. Met ingang van 2017 is hiervoor jaarlijks €100 miljoen beschikbaar, waarvan €85 miljoen voor gemeenten. Mede naar aanleiding van het SER-advies ‘Opgroeien zonder armoede’ is het belang van het bieden van kansen aan alle kinderen en de verantwoordelijkheid van ouders, rijksoverheid en gemeenten hierbij onderstreept.
  • Eind 2017 rondt het UWV de herindeling Wajong af, waardoor alle Wajongers op dat moment zijn ingedeeld in de categorieën ‘arbeidsvermogen’ of ‘duurzaam geen arbeidsvermogen’. Vanaf 1 januari 2018 wordt de maximale uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen verlaagd van 75% naar 70%.
  • Naar aanleiding van de evaluatie van de WGS is voor de jaren 2016, 2017 en 2018 in totaal €7,5 miljoen beschikbaar voor de verbetering van de gemeentelijke schuldhulpverlening. In 2018 voeren Divosa, de Landelijke Cliëntenraad, de NVVK, Sociaal Werk Nederland en de VNG het eind 2016 gestarte programma ‘Schouders eronder – kennisontwikkeling, innovatie en professionalisering schuldhulp’ uit, om een impuls te geven aan de kennisontwikkeling, innovatie en professionalisering van de gemeentelijke schuldhulpverlening binnen het brede sociale domein.
  • De overheid houdt in groeiende mate rekening met het feit dat mensen in bepaalde situaties verminderd in staat zijn om weloverwogen beslissingen te nemen, wat onder meer kan leiden tot schuldenproblematiek. Door inzichten uit de gedragswetenschappen toe te passen kunnen burgers ondersteund worden bij (financiële) beslissingen. Bijvoorbeeld door een standaardoptie aan te bieden (denk aan de vooringevulde aangifte) of door een (sociale) norm te stellen (‘de meeste mensen doen op tijd aangifte’). Mensen worden bij beslissingen namelijk niet alleen geleid door rationele overwegingen, maar worden beïnvloed door allerlei sociale en psychologische factoren. Hieronder vallen schaarste (beperking van mentale bandbreedte) en ook het door de WRR in haar rapport ‘Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid’ genoemde begrip ‘doenvermogen’. Doenvermogen [5] en denkvermogen bepalen samen de zelfredzaamheid van mensen.

3. Koopkracht 2018

In de begrotingstoelichting van het Ministerie van SZW wordt de impact van de begroting 2018 vertaald naar geraamde koopkrachteffecten. Voor 82% van alle huishoudens is sprake van een verbetering van de koopkracht, met een mediane verbetering van +0,6%. Van de huishoudens met een uitkering gaat 78% erop vooruit, gepensioneerden gaan er 76% op vooruit in koopkracht in 2018.

Alleenstaande met werk minimumloon

0,5%

Alleenstaande ouder met werk minimumloon

0,8%

Sociale minima: paar met kinderen

0,2%

Sociale minima: alleenstaande

0,1%

Sociale minima: alleenstaande ouder

0,3%

Sociale minima: alleenstaande AOW’er

0,4%

Sociale minima: paar met AOW

0,2%

Tabel 1. Koopkrachteffecten voor minima [6]

 

 

Bijlage
In deze bijlage is een tweetal figuren opgenomen uit de rijksbegroting met betrekking op het sociaal domein.

Figuur 1: Publieke uitgaven aan activerend arbeidsmarktbeleid en inkomensondersteuning voor mensen die geen baan hebben

Figuur 2: Ontwikkeling reële collectieve uitgaven

 


Voetnoten
[1] https://nos.nl/artikel/2193950-eigen-risico-toch-niet-omhoog-blijft-op-385-euro.html
[2] Zie voor de beleidsagenda van VWS ook de website http://www.hetzorgverhaal.nl/.
[3] Deze rijksbijdrage Hlz dempt de premiestijging door de overdracht van zorg vanuit de AWBZ naar de Zvw.
[4] Hierdoor is de zogenaamde 50/50 regel niet gerealiseerd in 2017. Op basis van deze regel wordt de basisverzekering gelijk gefinancierd vanuit nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage (IAB). Dit moet hersteld worden in 2018 door de IAB meer te verhogen (van 6,65% naar 6,90% in 2018) dan de nominale premie.
[5] Denk bij doenvermogen aan het kunnen maken van een plan, in actie komen, volhouden en omgaan met verleidingen en tegenslag. Ook hoger opgeleiden scoren soms laag op dit vlak. Bovendien is stress van invloed op het denk- en doenvermogen.
[6] Deze cijfers laten voor standaardhuishoudens de koopkrachtontwikkeling zien als gevolg van de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling en als gevolg van generieke maatregelen, zoals aanpassingen in belastingen, (ziektekosten)premies, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget. In het koopkrachtmodel wordt voor iedereen gerekend met gemiddelde zorgkosten onder het verplichte eigen risico.